Zorgouder zijn als niemand het ziet met Liz Corthals (Liz is More)

Zorgouder zijn als niemand het ziet met Liz Corthals (Liz is More)

Je kiest niet voor het zorgouderschap, het overkomt je. Liz is More vertelt hoe schrijven haar recht houdt en wat wij kunnen doen voor wie zorgt. Lees hier de volledige shownotes met alle cijfers, bronnen en handvatten.

Je kiest niet voor het zorgouderschap. Het overkomt je, zegt Liz Corthals in deze seizoensopener, en dan is het ploeteren of verzuipen. De meeste mensen kennen haar als Liz is More, de vrouw die elke ochtend om kwart voor zeven een gedicht de wereld instuurt en er kleine maar betekenisvolle boekjes rond bouwde.

Wat de meeste mensen niet weten: achter die warme woorden zorgt een moeder dag en nacht voor een dochter die extra zorg vraagt. Twee jaar lang rustte alles op haar schouders. In dit gesprek vertelt ze hoe schrijven haar recht houdt, hoe de troostsoep ontstond, en wat er gebeurt als een gezin door de mazen van elk net valt. Voor de mensen die dieper willen gaan leg ik er de cijfers naast, want zorgouderlast is meetbaar: je ziet het tot in de bloedvaten. Een gesprek dat begint bij gedichtjes en eindigt bij de vraag hoe wij als maatschappij zorgen voor wie zorgt.

Bekijk hier de aflevering op YouTube of luister op je favoriete platform

We bespreken

  • Intro: Het nieuwe seizoen van Spreekuur met Liz is More [00:00]
  • Wie is Liz Corthals [02:55]
  • Drie afwijzingen en het eerste gedicht [09:50]
  • Samen een gedicht schrijven voor 1 september [15:34]
  • Schrijven voor uitvaarten en de troostsoep [19:11]
  • Drie dingen voor je gezondheid [23:37]
  • Zorgouder van een dochter met een eetproblematiek [29:12]
  • Wat zorgouderlast met je gezondheid doet [34:09]
  • Steun voor zorgouders: De Ouders, Zorgt Voor Ons Moeder en 1 juni [39:07]
  • Door de mazen van het net [41:46]
  • Luisteren zonder oordeel [50:21]
  • Drie die haar leven gevormd hebben [52:30]
  • Wie troost de trooster [1:03:09]
  • Een doosje geluk en de nieuwe reeks Samen [1:09:53]
  • Als je morgen bij de dokter zit [1:11:56]
  • Waar je alles terugvindt [1:14:54]

Over de gast

Liz Corthals is actrice, stemactrice en de schrijfster achter Liz is More. Sinds 2017 deelt ze dagelijks een gedicht met tienduizenden volgers; bij Pelckmans verscheen haar reeks Een handjevol, intussen een tiental bundels plus een bloemlezing. Ze schrijft op maat voor de moeilijkste momenten, tot uitvaarten toe. En ze is zorgouder.

💡 Liz vertelt haar verhaal. In de cursieve stukken schuif ik er als arts even naast: wat weten we hierover, wat moeten we nuanceren, en wat neem je er morgen uit mee?

Shownotes PLUS

Wil je deze aflevering niet alleen beluisteren maar ook kunnen náslaan? Voor PLUS-leden werk ik elk gesprek per onderwerp uit: alle cijfers, namen en studies die we vernoemen, gelinkt en eerlijk gewogen, met daarbij wat je er morgen concreet mee doet. Zo blijft een goed gesprek niet hangen in "ik heb ooit iets gehoord over" maar wordt het iets waar je op kunt terugvallen. Instappen doe je in twee minuten op dokterservaas.be/founders.

WIL JE De volledige uitleg?
CTA Image
  • Elke week één onderwerp volledig uitgespit.
  • De werkbladen en checklists uit mijn praktijk.
  • Elke maand een live sessie voor jouw vragen.
Ontdek Spreekuur PLUS

Voor deze eerste aflevering, en omdat je kunt zien wat dit precies betekent, zet ik de betaalmuur wat verder in de shownotes. Misschien een knappe commerciële truc, maar vooral omdat wat Liz uit haar leven deelt ons allemaal kan helpen.

Wie is Liz Corthals [02:55]

Van signeertafel tot studio

  • Servaas en Liz leerden elkaar kennen op de boekenbeurs in Antwerpen, waar ze op dezelfde vierkante meter boeken zaten te signeren; zij had op dat moment net haar eerste drie bundels uit.
  • Ze brengt een cadeau mee naar de aflevering: een doosje "portie geluk" uit haar eigen webshop, met een poster waarin een woordzoeker verwerkt zit. Het wordt later in de aflevering uitgepakt.

Gezien worden is graag gezien worden

  • Liz was actrice en stemactrice: gastrollen, theater, ooit een vervanging van een hoofdrol in een Vlaamse reeks. Een fijne maar harde leerschool, zegt ze.
  • Ze groeide zeer beschermd op, met een strenge vader, en droeg lang de drang mee om "ergens haar plaatje op te eisen". Na jaren begreep ze: gezien willen worden was eigenlijk graag gezien willen worden.
  • Het onzeker vogeltje is nooit helemaal weggegaan: "het mij net niet goed genoeg voelen is er in mijn jeugd ingeslopen". Mensen zeggen haar dat ze zeker overkomt; vanbinnen voelt dat anders.
  • Haar boekjes zijn haar eigen proces: de titels (zelfvertrouwen, jezelf zijn, troost, veerkracht) zijn precies de thema's die ze zichzelf wil aanreiken.

Wat Liz hier benoemt, is een van de oudste drijfveren die we kennen. In 1995 zetten de psychologen Roy Baumeister en Mark Leary alles op een rij wat er over bekend was en kwamen tot een simpele conclusie: erbij horen is voor een mens even fundamenteel als eten en slapen. We knopen makkelijk banden aan, verbreken ze moeilijk, en wie er te weinig heeft, wordt er letterlijk ziek van (Baumeister & Leary, 1995). Acht jaar later legde Naomi Eisenberger in Los Angeles mensen in een hersenscanner terwijl ze in een computerspelletje buitengesloten werden: de bal ging plots niet meer naar hen. Het hersengebied dat oplichtte, de voorste cingulate cortex, is hetzelfde gebied dat bij lichamelijke pijn de onaangenaamheid verwerkt (Eisenberger et al., 2003). Afgewezen worden doet dus pijn in de meest letterlijke zin. Drie keer na een pilot afvallen, zoals Liz verderop vertelt, is voor een brein geen detail. Het onzekere vogeltje heeft een oude biologische reden om te fladderen.

Wie leest haar

  • Haar publiek loopt van het lager onderwijs (leerkrachten gebruiken de gedichten in de klas) tot de apotheker, de chirurg en de psycholoog. Dat is het gevolg van een keuze die ze bewust maakte: poëzie beperkt zich meestal tot een nichegroep, en zij wou die drempel weg.
  • Haar gedichten vragen geen tien leesbeurten: meteen duidelijk, eenvoudig, en altijd met een sprankel hoop op het einde. Ook dat is bewust, en soms moet ze erop letten dat die hoop erin blijft als het bij haarzelf minder gaat.

Drie afwijzingen en het eerste gedicht [09:50]

De lastige periode

  • Rond 2017 zat ze in een moeilijke fase als actrice: na een reeks audities werd ze geselecteerd voor drie pilootafleveringen van programma's die later groot werden. Na de pilots viel ze telkens af; van haar hele cast was zij de enige.
  • Drie keer afvallen op rij voelde als schieten op de persoon: misschien heb ik geen kop om op tv te komen, misschien is dit mijn roeping niet. Voor het eerst merkte de altijd opgewekte Liz dat haar dipje dieper ging dan ze van zichzelf kende. Geen depressie, zegt ze er zelf bij, maar dieper dan gewoon.

Liz voelt het onderscheid zelf goed aan, en het klopt medisch. Een dip hoort bij een leven met tegenslag: hij heeft een aanleiding, hij staat in verhouding tot die aanleiding, en hij trekt weg als de dagen weer vullen. Van een depressie spreken we pas als de sombere stemming of het verlies van plezier minstens twee weken vrijwel elke dag aanhoudt, samen met een reeks andere klachten (slaap, eetlust, energie, concentratie, schuldgevoel, traagheid, gedachten aan de dood), en als het je dagelijks functioneren aantast (American Psychiatric Association, 2022).

De grens tussen een dip en een depressie bestaat dus niet echt. De Amerikaanse onderzoeker Jerome Wakefield volgde duizenden mensen en zag dat een korte sombere periode zonder zelfmoordgedachten het jaar erna in 3,4 procent van de gevallen terugkwam. Bij een echte depressie was dat 14,6 procent. (Wakefield & Schmitz, 2013). Hun besluit: dat is intense droefheid, geen ziekte. Voor wie twijfelt bestaat er een korte vragenlijst van negen vragen, de PHQ-9, die elke huisarts kent: vanaf tien punten pikt hij bijna negen op de tien depressies eruit (Kroenke et al., 2001).

De vuistregel voor thuis: duurt het langer dan twee weken, kleurt het alles, en lukt het gewone leven niet meer, ga dan langs bij je arts. Een dip mag je uitzitten. Een depressie behandel je.

Het eerste gedicht

  • Ze zette dat gevoel op papier, als gedicht, en postte het op Facebook. De reacties hielden haar aan het schrijven; stelselmatig groeide dat naar dagelijks een gedicht.
  • Op een boekvoorstelling van een andere auteur trok ze haar stoute schoenen aan en sprak ze een uitgeefster aan, iets wat totaal niet in haar zit. Het eerste antwoord: goed, maar nog niet wat het moet zijn.
  • Maanden later lag er een contract bij Pelckmans, en niet voor één boek: drie bundels tegelijk, midden in de coronatijd. Doodeng voor een onzeker vogeltje, maar het kwam goed. Mensen hadden net toen nood aan herkenbaarheid.

Wat Liz beschrijft, is expressief schrijven avant la lettre. In 1986 liet de Amerikaanse psycholoog James Pennebaker studenten vier avonden na elkaar een kwartier schrijven over het ergste wat hen ooit overkomen was. Die avonden zelf voelden ze zich slechter, hun bloeddruk ging zelfs omhoog. Maar de zes maanden erna kwamen ze minder vaak bij de studentenarts dan de groep die over iets banaals had geschreven (Pennebaker & Beall, 1986). Dat experiment is sindsdien honderden keren herhaald, en we moeten één en ander nuanceren.

Wie de 31 studies met lange opvolging samenlegt, ruim vierduizend deelnemers, ziet een klein effect op somberheid, angst en stress dat pas weken later opduikt, maar dan wel blijft. Het is het sterkst als de schrijfsessies dicht op elkaar volgen, met één tot drie dagen ertussen (Guo, 2023). Eén losse schrijfoefening doet daarentegen zo goed als niets: over 39 studies bij gezonde volwassenen bleef er op termijn geen meetbaar effect op depressieve klachten over (Reinhold et al., 2018). Het ritueel doet dus het werk, en dat is precies wat Liz elke ochtend om kwart voor zeven doet.

Praktisch: een kwartier, drie of vier dagen na elkaar, over één concreet ding dat je bezighoudt. Verwacht geen wonder na dag één. Verwacht dat je je na een paar weken lichter voelt.

Samen een gedicht schrijven voor 1 september [15:34]

Hoe een gedicht ontstaat

  • Ze werkt locatie-onafhankelijk: als woorden zich opstapelen moet ze ze meteen neerpennen, in een notitieboekje of op haar gsm, anders zijn ze weg.
  • Voor een 1 september-gedicht verplaatst ze zich in het kind: de speelplaats, wie blijft er alleen staan, wie heeft geen fijne vakantie gehad,…

Dat is geen aanstellerij van een dichteres, dat is hoe een brein werkt. In 1956 schreef George Miller zijn beroemde artikel over het magische getal zeven: zoveel losse dingen kan een mens ongeveer tegelijk vasthouden. Een halve eeuw later rekende Nelson Cowan dat na, zonder trucjes als herhalen of groeperen, en kwam op vier (Miller, 1956; Cowan, 2001).

Het werkgeheugen is een klein tafeltje waar hooguit vier borden op passen, en elk nieuw bord duwt er een af. Een idee dat zich aandient terwijl je in de rij bij de bakker staat, concurreert met het brood, de kassa en het kind dat aan je mouw trekt. Wie niet meteen noteert, verliest niet omdat zijn geheugen slechter wordt, maar omdat het tafeltje vol is. Het notitieboekje is een tweede tafel. Dat geldt trouwens voor iedereen die een goede gedachte krijgt onder de douche: schrijf ze op vóór je de handdoek pakt.

Het live geschreven resultaat

  • Servaas geeft de eerste regel, Liz bouwt verder. Het wordt: "Met knik in de knieën werd ik gewekt / slapen ging vannacht niet goed / ik til mijn zware rugzak op / maar ik vind onderweg nog stukjes moed."
  • Haar vuistregel zit erin verwerkt: de moeilijkheid benoemen, en het sprankeltje hoop niet op het einde forceren maar ergens onderweg laten vallen.

Die vuistregel van Liz is, zonder dat ze het zo noemt, de best onderbouwde vorm van positief denken die we kennen. Wie vijftien grote bevolkingsstudies samenlegt, bijna 230.000 mensen gemiddeld veertien jaar gevolgd, ziet dat optimistische mensen 35 procent minder hart- en vaatincidenten krijgen en 14 procent minder vaak sterven in die periode (Rozanski et al., 2019). In Boston volgde Lewina Lee verpleegsters en veteranen tot dertig jaar lang: de meest optimistische groep leefde 11 tot 15 procent langer en had anderhalf tot bijna twee keer meer kans om 85 te worden, ook na correctie voor roken, bewegen en voeding (Lee et al., 2019). Dat zijn verbanden, geen bewijs dat optimisme de oorzaak is, maar ze zijn hardnekkig. Het goede nieuws: het is trainbaar. Over 29 gerandomiseerde studies steeg optimisme meetbaar na eenvoudige oefeningen, waarvan de bekendste is dat je een kwartier opschrijft hoe je beste mogelijke toekomst eruitziet (Malouff & Schutte, 2017). De nuance zit precies waar Liz ze legt: de moeilijkheid eerst benoemen, en de hoop niet forceren. Wie zichzelf een te rooskleurige toekomst voorhoudt, scoort op lange termijn lager op welzijn dan wie realistisch kijkt (de Meza & Dawson, 2021), en bij ouderen met een dalende gezondheid voorspelde onrealistisch optimisme zelfs meer depressie en een hogere sterfte dan nuchtere verwachtingen (Chipperfield et al., 2019).

De zware rugzak mag dus in het gedicht. Het stukje moed onderweg ook. Dat is geen wishful thinking, dat is realistisch optimisme, en het werkt.

Schrijven voor uitvaarten en de troostsoep [19:11]

Teksten voor de moeilijkste momenten

  • Mensen contacteren haar voor teksten op maat, ook voor begrafenissen en levensvieringen. Voor die mensen is ze non-stop bereikbaar, omdat het dan snel moet gaan.
  • Haar methode: nabestaanden zoveel mogelijk herinneringen en gevoel laten doorgeven, en dat verwerken in eenvoudige tekst.

Wat Liz met nabestaanden doet, herinneringen laten vertellen en ze in eenvoudige woorden teruggeven, is precies het deel van praten dat werkt. Want praten op zich is minder wonderbaarlijk dan we denken. De Leuvense emotiepsycholoog Bernard Rimé toonde dat mensen bijna elke emotionele gebeurtenis met iemand delen, en dat dit vooral verbondenheid en betekenis oplevert (Rimé, 2009). Maar sneller herstellen doe je er niet van: in zijn experimenten voelden mensen die over een pijnlijke ervaring hadden verteld zich na een week en na twee maanden niet beter dan wie er niet over sprak, al hadden ze wel het gevoel dat het had geholpen (Zech & Rimé, 2005). Het verschil zit bij de luisteraar. Wie enkel warm meeleeft, geeft tijdelijke opluchting; wie daarnaast helpt om de gebeurtenis anders te bekijken, helpt echt vooruit (Nils & Rimé, 2012). Rouw verloopt bovendien in golven: je pendelt tussen het verlies en het gewone leven dat verder moet, en ook even wégkijken hoort bij gezond rouwen (Stroebe & Schut, 1999). De meeste mensen komen daar zonder professionele hulp doorheen. Wie na maanden vastloopt, heeft wel baat bij gerichte begeleiding: over 31 studies een duidelijk effect, het grootst bij wie al een half jaar of langer worstelt (Johannsen et al., 2019). Een tekst die de herinneringen ordent, zoals Liz die schrijft, doet iets van dat werk: het geeft het verhaal een vorm.

Het verhaal van de troostsoep

  • Jaren geleden overleed plots de papa van een klasgenootje van haar dochter, aan hartfalen, jong. Liz zat met de machteloosheid die iedereen kent: je wil iets doen, maar je wil niet in de weg lopen.
  • Haar oplossing: soep maken en aan de deur zetten, zonder aan te bellen. Wie rouwt heeft geen tijd of zin om te koken, en soep drink je ook als eten niet lukt.
  • Op de uitvaart kwam de mama naar haar toe: "je hebt ons op de been gehouden". Dat kleine, onnozele gebaar, zei ze, heeft ons gesterkt.
  • Zo ontstond de troostsoep voor op de stoep, een tijd verkrijgbaar via haar webshop. Haar dochter stelde onlangs zelf voor om ze terug te maken voor een buur die iemand verloor; een relancering hangt in de lucht.

Dat "iets willen doen" is menselijk en meestal goedbedoeld, en toch valt het vaak verkeerd. De sociaal-psychologe Carolyn Cutrona beschreef in 1990 waarom: steun werkt alleen als ze past bij wat iemand op dat moment nodig heeft. Bij een probleem dat je kunt oplossen helpt praktische hulp en informatie; bij een verlies dat niemand kan terugdraaien helpt vooral nabijheid, en goede raad valt dan als een baksteen (Cutrona, 1990). Niall Bolger ontdekte tien jaar later iets nog verrassenders bij koppels voor een zwaar examen: de steun die het best werkte, was de steun die de ontvanger niet eens had opgemerkt. Wie bewust geholpen werd, voelde zich er vaak slechter door, alsof hij het zelf niet aankon (Bolger et al., 2000). Onzichtbare steun, noemen ze dat. Soep aan de deur zetten zonder aan te bellen is er een schoolvoorbeeld van: geen dankbaarheid verschuldigd, geen gesprek dat iemand niet aankan, geen gevoel van afhankelijkheid. Liz had die literatuur niet gelezen. Ze voelt het gewoon goed aan.

Wat die mama op de uitvaart deed, terugkomen op een gebaar en het benoemen, is dankbaarheid in haar zuiverste vorm. In 2003 lieten Robert Emmons en Michael McCullough mensen tien weken lang elke week vijf dingen opschrijven waar ze dankbaar voor waren, terwijl een andere groep ergernissen noteerde. De dankbare groep voelde zich beter, bewoog meer en keek positiever naar de week die kwam (Emmons & McCullough, 2003). Dat experiment werd een hype, en daar hoort een eerlijke kanttekening bij. Wie de 27 studies met samen ruim 3.600 deelnemers samenlegt, vindt een klein effect op somberheid en angst dat na een tijd nog wat kleiner wordt; de onderzoekers zelf noemen het bescheiden (Cregg & Cheavens, 2021). Dankbaarheid als oefening is dus geen behandeling. Als houding is ze wel een van de sterkste voorspellers van welbevinden die we kennen, en het mechanisme is eenvoudig: wie ziet wat er wél is, kijkt anders naar wat er ontbreekt (Wood et al., 2010). En voor de gever, zo blijkt uit dat verhaal op de uitvaart, is het horen dat het iets heeft betekend soms het enige loon dat telt.

Een warm gebaar op het juiste moment doet meetbaar iets met een lijf. In Zürich zette Markus Heinrichs in 2003 zevenendertig mannen voor een jury om een toespraak te houden, de klassieke stresstest. Wie vooraf zijn beste vriend naast zich had, maakte duidelijk minder cortisol aan; met een snuifje oxytocine erbij bleef het stresshormoon het laagst van allemaal (Heinrichs et al., 200300465-7)). Twaalf jaar later liet Michael Roberts mensen hun hand in ijswater houden: wie een steunende stem hoorde, had een lagere bloeddruk, een tragere hartslag, minder cortisol én minder pijn dan wie er alleen doorheen moest. Enkel iemand in de kamer hebben volstond niet; het waren de woorden die telden (Roberts et al., 2015). En het werkt in twee richtingen. Tristen Inagaki liet mensen vóór een stresstaak een steunend briefje schrijven aan iemand die het moeilijk had: hun bloeddruk en het stresseiwit in hun speeksel bleven lager dan bij wie een neutraal briefje schreef (Inagaki & Eisenberger, 2016). In Detroit volgden onderzoekers 846 mensen vijf jaar lang: bij wie het voorbije jaar concreet iemand geholpen had, voorspelde zware stress géén hogere sterfte, bij wie dat niet had gedaan wel (Poulin et al., 2013). De trooster wordt dus letterlijk mee getroost. Soep maken voor een ander is ook een beetje voor jezelf.

Drie dingen voor je gezondheid [23:37]

  • Nooit gerookt. Als tienjarige tekende ze in de klas het Smokebusters-contract van de antirookcampagne, kreeg er een pin bij, en heeft zich er letterlijk levenslang aan gehouden. Grootvader rookte, grootmoeder had astma; de asbak naast de speelmat was de norm van de jaren tachtig.
  • Geen alcohol. "De meest getolereerde drug die er bestaat", zegt ze; ze zag er in haar dichte omgeving veel door kapotgaan. Niet iedereen is genetisch uitgerust om op tijd te stoppen, en "drink met verstand" staat er in kleine lettertjes bij. Servaas verwijst naar de aflevering met de spoedverpleegkundige Stef Van Lee uit het vorige seizoen, die voor nultolerantie pleitte.
  • Plantaardig. Vegetariër vanaf haar achttiende, intussen ruim tien jaar veganist. Begonnen als verzet en identiteit ("ik ben in een glazen kastje grootgebracht; op mijn achttiende ging dat open"), volgehouden uit overtuiging.
  • De kanttekening uit haar eigen keuken: door de eetproblematiek van haar dochter eet ze al twee jaar mee wat voor haar dochter veilig voelt. Zij bepaalt wat er gegeten wordt, ik bepaal hoeveel, zegt Liz: meestal is dat andersom.

Nog één keer, omdat het de grootste vermijdbare doodsoorzaak blijft. Richard Doll begon in 1951 bijna 35.000 Britse artsen te volgen en deed dat vijftig jaar lang. Wie bleef roken, stierf gemiddeld tien jaar vroeger dan wie nooit rookte. Maar stoppen loonde altijd: wie op zijn zestigste stopte, won drie jaar, op vijftig zes, op veertig negen en op dertig zowat alle tien (Doll et al., 2004). Een Amerikaanse studie bij 200.000 mensen bevestigde dat: rokers hebben een drie keer hogere sterfte, en wie vóór zijn veertigste stopt, wist ongeveer negentig procent van dat extra risico weer uit (Jha et al., 2013). In België sterft er nog elk uur iemand aan tabak, 9.413 mensen in 2020, al daalt dat cijfer gestaag (Sciensano, 2024). Die Smokebusters-pin op haar tiende was, achteraf bekeken, de beste gezondheidsbeslissing die Liz ooit nam.

Wie nu nog rookt: de winst begint de dag dat je stopt, en de huisarts kent de weg, van nicotinevervangers tot de gratis Tabakstoplijn.

Is alcohol nu goed of slecht? Tien jaar geleden stond in elke krant dat een glas rode wijn gezond was. Dat lees je niet meer, en dat is een teken van goed en gedegen onderzoek. Toen de wereldwijde ziektelast in 2018 voor 195 landen werd doorgerekend, bleek de hoeveelheid alcohol die de minste schade geeft precies nul glazen per week te zijn (Griswold et al., 201831310-2)). Het beschermende effect van matig drinken dat decennialang in de cijfers zat, kwam uit een rekenfout: in de groep niet-drinkers zaten veel ex-drinkers die gestopt waren omdat ze al ziek waren. Wie 107 studies met bijna vijf miljoen mensen daarvoor corrigeert, houdt geen enkel voordeel meer over (Zhao et al., 2023). Genetisch onderzoek bij 371.000 Britten laat zien waarom de lichte drinkers er in oudere studies zo gezond uitzagen: ze bewogen meer, rookten minder en aten beter. Zonder die ruis stijgt het risico op hoge bloeddruk en kransslagaderlijden met elk glas, eerst traag en dan steeds sneller (Biddinger et al., 2022). Voor kanker bestaat er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie geen veilige ondergrens: de helft van de alcoholgerelateerde kankers in Europa ontstaat bij mensen die licht tot matig drinken (Anderson et al., 202300317-6)). De Hoge Gezondheidsraad houdt het daarom sinds 2018 op maximaal tien standaardglazen per week, gespreid, met alcoholvrije dagen (Hoge Gezondheidsraad, 2018). Liz zit met haar nul dus aan de veilige kant van elke curve. Wie het hele verhaal wil, van slaap tot lever tot hormonen: ik schreef het uit in Alles wat je moet weten over alcohol. En de aflevering waarnaar ik verwijs, is #111 met Stef Van Lee, waarin hij vertelt waarom nog altijd een op de zes zware ongevallen aan alcohol gelinkt is.

#111. Met Stef Van Lee over reanimatie, medische fouten e...
Stef Van Lee, gekend van theater een Fractie van een Seconde en auteur 112 Verhalen, praat met Dokter Servaas over reanimatie en medische fouten.

Plantaardig eten is gezond, op twee voorwaarden. Eerst de winst. Wie 96 studies over vegetariërs en veganisten samenlegt, ziet een lager gewicht, een lager cholesterol en een lagere bloedsuiker, en een kwart minder hartinfarcten; kanker komt acht procent minder voor. Op de totale sterfte was er geen verschil (Dinu et al., 2017). De eerste voorwaarde is dat plantaardig ook echt plantaardig betekent. In drie grote Amerikaanse cohorten met 200.000 mensen gaf een patroon van groenten, fruit, volle granen, noten en peulvruchten een derde minder diabetes, maar een plantaardig patroon van frisdrank, witte pasta, frieten en snoep gaf zestien procent méér (Satija et al., 2016). De tweede voorwaarde is planning. De grootste Amerikaanse vereniging van diëtisten noemt een goed gepland veganistisch patroon volwaardig in elke levensfase, op één punt na: vitamine B12 moet uit een supplement komen (Melina et al., 2016). Zonder supplement is een tekort de regel, niet de uitzondering: bij tieners 21 tot 41 procent, bij ouderen tot 90 procent (Pawlak et al., 2013). Daarnaast scoren veganisten in 141 studies systematisch lager op calcium, jodium, zink, vitamine D en de visvetzuren EPA en DHA (Neufingerl & Eilander, 2022). Dat is geen theorie: in de Britse EPIC-Oxford-studie, 55.000 mensen bijna achttien jaar gevolgd, hadden veganisten 43 procent meer botbreuken en ruim twee keer zoveel heupfracturen, deels door minder calcium, minder eiwit en een lager gewicht (Tong et al., 2020).

Praktisch, voor wie zoals Liz al tien jaar veganist is: dagelijks B12 (250 tot 1.000 microgram), een algenolie voor DHA, letten op calcium en jodium, en genoeg eiwit uit peulvruchten, tofu en noten. Dan is het een van de gezondste manieren van eten die er zijn.

Zorgouder van een dochter met een eetproblematiek [29:12]

Het verhaal dat kantelt

  • Haar dochter crashte op haar twaalfde volledig, fysiek en mentaal. Er kwamen diagnoses: autismespectrumstoornis en een gegeneraliseerde angststoornis. En daar liep het vast: wie die twee labels in het dossier heeft, zegt Liz, wordt met elke nieuwe fysieke klacht teruggestuurd naar "het zit tussen de oren, probeer eens yoga".
  • Pas na vijf jaar strijden viel de diagnose die de start van het verhaal bleek: een bindweefselaandoening, hypermobiele Ehlers-Danlos. De eetproblematiek die iedereen aan het autisme toeschreef, kwam ook voort uit jarenlange fysieke klachten bij het eten: wie zich bij elke hap slecht voelt, gaat restrictief eten tot het stopt.
  • De diagnose is ARFID, een vermijdende-restrictieve voedselinname-stoornis: geen anorexia, en het vraagt een andere aanpak, waarover nog weinig bekend is.

Twee labels, en ze verdienen elk een korte uitleg. Autisme is geen ziekte maar een andere bedrading, in het handboek omschreven met twee kenmerken: anders omgaan met sociale communicatie, en een sterke voorkeur voor vaste patronen, vaak met zintuigen die scherper of net doffer staan dan gemiddeld (Lai et al., 201461539-1)). Ongeveer één op de honderd mensen heeft het, en het wordt bij jongens vier keer vaker vastgesteld dan bij meisjes, wat deels verklaart waarom meisjes later en moeilijker een diagnose krijgen (Zeidan et al., 2022). Een gegeneraliseerde angststoornis is iets anders dan zenuwachtig zijn: het is piekeren over van alles tegelijk, meer dagen wel dan niet, minstens een half jaar lang, met een lijf dat meedoet in spierspanning, slaap en vermoeidheid. Bij tieners heeft ruim twee procent het ooit gehad, en bijna een op de drie jongeren kent een of andere angststoornis (Merikangas et al., 2010). Voor de ouders is de last het best gemeten bij autisme: over elf vergelijkende studies is de opvoedingsstress bij ouders van een kind met autisme heel veel hoger dan bij andere ouders, en ook hoger dan bij ouders van kinderen met andere beperkingen (Hayes & Watson, 2013). Voor de jongere zelf is de grootste valkuil het maskeren: zich zo normaal mogelijk gedragen om erbij te horen, wat uitput en het zelfbeeld ondermijnt (Cook et al., 2021). En dan is er wat Liz beschrijft, en wat een naam heeft: diagnostic overshadowing, de reflex om elke nieuwe lichamelijke klacht toe te schrijven aan het psychiatrische label dat al in het dossier staat (Jones et al., 2008). Dat is geen verzinsel van gefrustreerde ouders. Bij 44.000 hartinfarcten in Californië was de kans dat het infarct bij een eerder spoedbezoek gemist was, de helft groter bij mensen met een psychische diagnose in hun dossier (Sharp et al., 2022).

Het label verklaart veel. Het verklaart niet alles.
lees het hele gesprek
CTA Image

Hier stopt het gratis deel. Wat hierna komt is de volledige uitwerking van het gesprek: elk onderwerp uitgeschreven, de cijfers en de studies erbij, en wat je er morgen concreet mee doet. Dat is voor leden van Spreekuur PLUS.

PLUS-lid worden en verder lezen